Welke vraag zou je graag willen dat ik je stel?

‘Mooi is het hè?’, ze staat net op van het bankje aan het water en ziet me een foto maken met mijn telefoon (natuurlijk). 

Image preview

‘Ik had bedacht dat ik dit elke ochtend zou doen, even in het park, maar dat lukt totaal niet. En nu baal ik ervan dat ik op mijn telefoon heb gezeten en niet lekker naar de eendjes heb gekeken.’

O dat is grappig, daar had ik het net over, denk ik terwijl de aardige onbekende weg fietst. 
We zijn in het Oosterpark, het licht is zo mooi en er zijn zoveel vogels met veel fijn geluid. 

Even daarvoor liep ik langs een jongen in capuchon. Hij zat op een bankje, te kijken met zijn handen in zijn zakken. We keken elkaar even aan en murmelden iets vriendelijks.

Ik wil hem iets vragen, dacht ik. Eng. Stom, hij zit hier lekker rustig. Eng. Kom op, gewoon doen. Eng. Doen. 
Ik draaide om en liep terug.  Brrrrr. 

‘Mag ik je wat vragen? Het is een moeilijke vraag, of wil je hier juist rustig zitten?’ 

Het mag. Ik stel de vraag die in me opkwam toen ik hem daar zag zitten. 

‘Welke vraag zou je graag willen dat ik je stel?’

Hij hoeft niet lang te denken.
‘Waarom heb je dit pad gekozen, en geen ander pad?’
Wat een mooie vraag. 

Hij vertelt over zijn weg van scholier in Duitsland naar student computerwetenschappen aan de VU.  
Hoe leuk dat is, hij heeft goed gekozen. Hij vindt de grote, machtige rijke, organisaties met al die data en kennis over manipulerende zorgelijk. Hoe we steeds meer schermen ingetrokken worden. 
‘Maar jij zit hier zonder telefoon.’ Ja, dat doe ik bewust, elke ochtend even in het park. Hij slaat lachend op zijn jaszak. ‘Ik heb hem wel bij me, voor noodgevallen.’ 

Ik vraag of hij nog advies heeft, voor mij en voor mijn zoon van bijna 12. 

‘Ik had gewild dat mijn ouders strikter waren geweest. Met hoe lang ik op mijn scherm zat en wat ik daar deed. Je kunt mooie dingen doen met computers, maar alleen maar vermaak, dat is zo zonde’. Een uur, anderhalf uur per dag, in het weekend iets langer, vooral als er vrienden langs komen.’ 

Tijdens het opstaan, hij heeft college, zeg ik dat ik het eng vond om hem aan te spreken. ‘Dat zou ik ook hebben’, zegt hij, ‘maar mensen vinden dat helemaal niet erg. Het was leuk om je te spreken.’

Als ik op mijn telefoon dit verhaaltje zit te typen ontploft er iets aan de andere kant van het park. Een enorme knal, een rookpluim en de vogels vliegen met z’n allen krijsend op. Ik zie jongetjes wegrennen, en een schreeuwende man met grote passen achter ze aan, telefoon in de hand. 
Even later zie ik een politie autootje venijnig door het park rijden. De vogels lijken weer door te zijn gegaan waar ze gebleven waren.

Helen

Geef een antwoord